Warmtecamera’s meten hoeveel vogels slachtoffer worden van windmolens

Nieuw onderzoek op de Noordzee moet meer inzicht geven in hoeveel vogels nu echt geraakt worden door een klapwiekende windturbine.

Dit artikel is geschreven door Nienke Schipper en Renée de Coninck. Gepubliceerd op 30 september 2026, dagblad Trouw

Het risico dat er vogels sneuvelen bij het opwekken van windenergie valt niet uit te sluiten, maar je kunt wel maatregelen treffen om de risico’s te beperken.
Daarom zochten de Wageningen University & Research en energiebedrijf Vattenfall uit hoe vogelsterfte bij windturbines op zee kan worden gemeten. Met warmtecamera’s op een turbine werd bijna een jaar lang gekeken hoeveel slachtoffers er vielen. Het systeem ziet ook kleine vogels en vleermuizen, en werkt zowel in het donker als overdag. Er werden 22 mogelijke vogelbotsingen geconstateerd, waarvan er twee met zekerheid werden bevestigd en één met een hoge mate van waarschijnlijkheid.

Volgens een woordvoerder van Vattenfall maakt de methode met warmtecamera’s en kunstmatige intelligentie de observaties betrouwbaarder. “Modellen waarmee nu wordt gewerkt, zijn gebaseerd op aannames.”

In de golven verdwijnen

De Vogelbescherming Nederland ziet het onderzoek in dat opzicht als een ‘cruciale eerste stap’, zegt Tim van Oijen. Hij is beleidsmedewerker Noordzee en zat in de klankbordgroep van dit onderzoek. “Hiervoor wisten we echt nog bijna niets over de omvang van het probleem.”

Dat komt doordat vogels na een aanvlieging op zee in de golven verdwijnen. Nu worden alle windparken op de Noordzee uitgeschakeld als er veel vogels worden verwacht tijdens periodes van vogeltrek. Nadeel is dat dit 48 uur van tevoren moet worden aangevraagd, dus kan er niet worden ingespeeld op onverwachte omstandigheden. En omdat je niet kunt meten wat de resultaten zijn, blijft het gokken hoe effectief die maatregelen zijn.

“De grootste winst is dat we de aanvaringen nu daadwerkelijk kunnen meten, zowel die van de grote vogels als de kleinere zangvogels en in moeilijke omstandigheden”, zegt Karen Krijgsveld van Wageningen University & Research. “Bij dit onderzoek hebben we ingezet op trekkende zangvogels en dat is het gros van de trekvogels; het gaat om miljoenen dieren. Ze trekken vooral ’s nachts en vliegen lager dan over land. Dus dat is een potentieel hoger risico.”

Visgronden voor zeevogels

Maar met een onderzoek bij één turbine gedurende één jaar is het te vroeg om conclusies te trekken, zegt Krijgsveld. Daarom wordt het onderzoek nu uitgebreid. “Hopelijk kunnen we in de toekomst dan beter voorspellen welke locaties meer risico’s opleveren, bijvoorbeeld omdat het aantrekkelijke visgronden voor zeevogels zijn. Dan kunnen we gerichte maatregelen treffen.”

De komende tijd zullen er nog meer vergelijkbare onderzoeken plaatsvinden op andere plekken, ook met andere technieken, zegt van Oijen. Hij hoopt dat die nog meer duidelijkheid geven over bijvoorbeeld de specifieke risicomomenten waarop vogels tegen windturbines vliegen en welke vogels het vaakst getroffen worden.